Voor het gebruik van een betr.vnw. zijn er twee grote strekkingen binnen de dialecten: één die afhankelijk is van de functie van het koppel-woord (onderwerp of niet). Het Westvlaams is blijkbaar beïnvloed door het Frans omwille van de aanwezigheid aan beide zijden van de "schreeve" in Frans-Vlaanderen van de alles overheersende langue "d'oil", waar 'die' gelijk gesteld wordt met 'qui' en 'dat' met 'que'.
De andere strekking houdt rekening met het geslacht van het antecedent, dat beschrijvend of beperkend wordt uitgelegd in de bijzin, zoals in de standaardtaal.
Is het antecedent onzijdig enkelvoud, dan wordt 'dat' gebruikt, in een ander geval (meerv. of enk. m/v) staat 'die'. In het Antwerps is er zelfs een uitspraakverschil: ne vèngt - diejë, een vraa - dèè, mànne en vraawe - dèè voor het mv.
Ik kan niet akkoord gaan met de regel die vooropgezet wordt in Antwerps schrijven op p.86 als zou in de functie van lijdend voorwerp uitsluitend het woordje "dat" gebruikt worden. Dat is de vermenging van de twee systemen, die eventueel kan te wijten zijn aan het oprukkende verkavelingsvlaams, dat de dialecten aantast als een kanker. Evengoed in de functie van LV blijft in het authentiek Antwerps het onderscheid tussen de geslachten gehandhaafd. Maar er zijn veel jongeren die het juiste geslacht van naamwoorden uit het dialect niet meer meester zijn, met alle gevolgen vandien.
Waarom zou er een verschil bestaan tussen de aanwijzende adj. en de betr.vnw?
allebei die [diejë]/[dèè] èn dat ??
(diejë vèngt, dèè vraa en dà kingd) en (de vèngt diejë, de vraa dèè en 't kingd dà)
Een bloemlezing uit de taal van krommenaas en doederik waar ik het niet over eens ben dat het Antwerps is:
fritketel 6154 Re: Vlaams woordenboek
In alle geval moeten “Ollanders” altij lache as ge zo’n dink ne fritketel noemt, behalve mijne kammeraad uit maastricht da et wel e normaal woord vindt.
Toegevoegd door Diederik op 10 mei 2009 15:38
===============
Krommenaas 20 juli 2009, 21:28 antwerps.be/forum/topic/3/11
jaja a klapt goe Aentwaerps, mor vör dinges da we zelf ni kenne zouwe w'em ni as een bron kunne beschouwe wou 'k zegge
Doederik (17 juli 2009, 21:14)
voila, zolle/zölle toegevuugd oemda 'k et raar vond da' da' der nog ni instoeng. Is wel loechtelak (lichtelijk?) verouwerd, mor wörd toch nog veul gebrökt dör echt plat aentwaerps-sprekers, nor mij gevuul wel miër dör aentwaerpse kolonisten oep den buite, missching da' die wel een bitjen achterloëpen oep de modaernisering van et aentwaerps van et stad... mor wel duidelak mense da' gin boerrekes klappe mor wel aentwaerps' inwijkelinge zèn.
Mor vör aender woorde da' ge kend, is et ni toegestaan van oew eige kennis/taalgevuul as 1 bron mee te rekene dan?
===============
Doederik (12 juli 2009, 23:04)
Was curieus of da nog gebruikt wier... plante-en dierename lijke mij een van de snelste dinge da' vervange wordt door abn
===============
Ter verdediging kan aangevoerd worden dat deze verbindingswoorden, net zoals de voegwoorden, in het Antwerps kunnen gevolgd worden door de allesdoener da, ja, na.
De vraa dèèdà , dèèja... De vèngt dieëdà, dieënà... Bij het onzijdig wordt de allesdoener niet onnodig verdubbeld.
vrijdag 21 augustus 2009
dinsdag 18 augustus 2009
Voorschoot

Naar aanleiding van het woord muirk dat ik op het Vlaams Woordenboek had ingebracht, waarin de uitdrukking "ne voorschoot groot" voorkwam, vroeg Diederik / Doederik mij hoe ik het woord voorschoot in het Antwerps uitsprak.
Hij stelde mij voor:

waarop ik hem geantwoord heb:
Bericht van haloewie voor Diederik verstuurd op 15 aug 2009 23:10
Tous les 4, mon colonel, is niet alleen het meest diplomatische antwoord, maar ook het meest juiste.
Als ik het woord alleen geschreven voor mij zie staan, zeg ik als Antwerpenaar
vërschoeët mv. = schoeëte (zoals de gemeente Schoten) niet zoals de vt van schieten = schë oete) door mij geschreven als schoute.
De naslag na een klinker kan ten allen tijde weggelaten worden, indien er snel gesproken wordt.
Ik herinner mij toen ik in de wasserij hielp en het boekske van ne kàlàànt overliep, dat daar ook ‘voorschoten’ in voorkwamen (vërschoete). Maar als mijn bomma in de kuiken vuir het gaaisfeur stoeng, dàn dèè ze ne “vuirschùt” vuir. Da’s dan nùmmerou 5.
“Voor” heeft ook verschillende uitspraken, ook al naargelang de betekenis (plaats, tijd, voor- of nadeel) voer, vër, vuir, veur
----------------------

Bericht van haloewie voor Diederik verstuurd op 16 aug 2009 17:20
idd. da’s nummerou 6 voor het meervoud schoeje. Misschien is schoeëte toch eerder van een latere generatie. Ik vraag het destag aan mijn 92-jarige tante.
----------------------
Ik heb het aan mijn tante Zjulja gevraagd.
Zij spreekt van "ne vërschùt" met een Franse u en als meervoud "vërschoeje", daarmee beamend wat Diane Goossens aangaf. Ik schaar mij voor 100% achter 'vërschùt en 'vërschoeje als authentiek Antwerps met de klemtoon op de eerste lettergreep.
Ik heb dan nog geopperd dat er verschillende voorschoten bestaan. De smid heeft ne leren, dem bakker heeft maar nen halve, die onder zijn buik hangt, en op school hadden de kinderen een lichtblauw geruite schort aan die achteraan open was met enkele knoppen dichtgeknoopt, die ook voorschoot genoemd werd. Koks en kokkinnen hadden een witte voorschoot met een lintje over het hoofd die met een strik achter op de rug werd vastgebonden. Allemaal vërschoeje.
maandag 29 juni 2009
Voegwoorden
Een enkelvoudige zin drukt één mededeling uit. Dat kan een vaststelling zijn, een vraag, een bevel, een aansporing, een duiding, wat dan ook. Een enkelvoudige zin kan zelfs uit één enkel woord bestaan. bv. "Vooruit".
Wanneer ge een onderdeel van de zin of de volledige zin verduidelijkt met een tweede zin (waarin een vervoegd werkwoord voorkomt), dan gebruiken we in onze taal een woord dat deze twee zinnen samenvoegt. Dàt d hiet e "voogwoord". Met 'èn', 'mor', 'wànt', 'dùs', het (keuze)'of' (a of b) worden twee zinnen naast elkaar gezet en blijven ze gelijkwaardig.
In de andere gevallen van afhankelijkheid, onrechtstreekse vraag, beperking, beschrijving, voorwaarden, bedoelingen, enz. gebruikt de Antwerpenaar steevast 'dat'. De voegwoorden waar geen dat kan achtergeplaatst worden, behoren niet tot zijn taal.
Omdàt, nadàt, opdàt, voordàt, totdàt, eerdàt, (swèngst dàt,) zonder dàt, b'halve dàt, in plaats dàt, zijn voorbeelden die in de omgangstaal al samen met het voegwoord dat gebruikt worden.
Indirecte vraag
Ik wèèt ni of dàttà woar is.
Hoo dàt ëm dà te wèète gekoume wàs, dor èm ek het groie nor.
Hà vroeg z'n aigen àf wor dàt d oungze Jan dà gevoungden hod.
Ik moest hëm vertèlle mè wèlleken hoamer dà kik dee kràm in de meur hod gesloage.
Afhankelijke bijzin
Noadà 'k mè hëm hod geklàpt, veel m'ne fràng.
Ieërdà ze 't duir hod, wàs er toch ne meneut of vaaf vërbaa.
(Al)hoowèl dà me roim oep taid woare, èn betold hodde, moeste me wàchte.
Swèngst dà golle olle koarten on 't goostèèke wort, wàs haa en pingt gon hoale on den toeg.
Sings dà ze mè de lotto gewonnen hèè, is 't in huiren bol gekroupe.
Wànnieër dàt hëm trùg nor hois komt, hèèt hëm er ni baa gezèè.
Tenzaa dà 'k vuir den teene thois zèn, moete ni oep blaave.
Hoo rapper dà ge 't doo, hoo (dès te) leever dà 'k 't hèm.
Uitzondering op de regel
- (als) A(s) ge 't nie verstoa, vroag 't dàn nog is.
- (al) Al hod hëm 't gevroagd, toch kwàm dà nog hàrd ouver.
Het gebruik van het voegwoord "dat" is ook van toepassing bij de betrekkelijke zinnen, na het betrekkelijk voornaamwoord die en dat in een al dan niet verkorte vorm als dà, nà, jà of à.
Betrekkelijke zin
- Dieë vèngt dieë nà/dà z'ne pàs ni oep zàk hod, hèmme ze mèè gepàkt voer verhoeër.
- En vraa, dee dà gin àfgestèmpelde tràmkoart kost loate zing, hod e procès on huir bieën.
- De vèngte, de vraawe, de màskes, dee dàt hëm hod oitgenoeëdëgd, woare ni oemgezing.
- Mà mooder, dee jà gaa vreuger rèègelmoateg in de zollezjie tèègekwomt, zit naa zèlef in e kàrreke.
Wanneer ge een onderdeel van de zin of de volledige zin verduidelijkt met een tweede zin (waarin een vervoegd werkwoord voorkomt), dan gebruiken we in onze taal een woord dat deze twee zinnen samenvoegt. Dàt d hiet e "voogwoord". Met 'èn', 'mor', 'wànt', 'dùs', het (keuze)'of' (a of b) worden twee zinnen naast elkaar gezet en blijven ze gelijkwaardig.
In de andere gevallen van afhankelijkheid, onrechtstreekse vraag, beperking, beschrijving, voorwaarden, bedoelingen, enz. gebruikt de Antwerpenaar steevast 'dat'. De voegwoorden waar geen dat kan achtergeplaatst worden, behoren niet tot zijn taal.
Omdàt, nadàt, opdàt, voordàt, totdàt, eerdàt, (swèngst dàt,) zonder dàt, b'halve dàt, in plaats dàt, zijn voorbeelden die in de omgangstaal al samen met het voegwoord dat gebruikt worden.
Indirecte vraag
Ik wèèt ni of dàttà woar is.
Hoo dàt ëm dà te wèète gekoume wàs, dor èm ek het groie nor.
Hà vroeg z'n aigen àf wor dàt d oungze Jan dà gevoungden hod.
Ik moest hëm vertèlle mè wèlleken hoamer dà kik dee kràm in de meur hod gesloage.
Afhankelijke bijzin
Noadà 'k mè hëm hod geklàpt, veel m'ne fràng.
Ieërdà ze 't duir hod, wàs er toch ne meneut of vaaf vërbaa.
(Al)hoowèl dà me roim oep taid woare, èn betold hodde, moeste me wàchte.
Swèngst dà golle olle koarten on 't goostèèke wort, wàs haa en pingt gon hoale on den toeg.
Sings dà ze mè de lotto gewonnen hèè, is 't in huiren bol gekroupe.
Wànnieër dàt hëm trùg nor hois komt, hèèt hëm er ni baa gezèè.
Tenzaa dà 'k vuir den teene thois zèn, moete ni oep blaave.
Hoo rapper dà ge 't doo, hoo (dès te) leever dà 'k 't hèm.
Uitzondering op de regel
- (als) A(s) ge 't nie verstoa, vroag 't dàn nog is.
- (al) Al hod hëm 't gevroagd, toch kwàm dà nog hàrd ouver.
Het gebruik van het voegwoord "dat" is ook van toepassing bij de betrekkelijke zinnen, na het betrekkelijk voornaamwoord die en dat in een al dan niet verkorte vorm als dà, nà, jà of à.
Betrekkelijke zin
- Dieë vèngt dieë nà/dà z'ne pàs ni oep zàk hod, hèmme ze mèè gepàkt voer verhoeër.
- En vraa, dee dà gin àfgestèmpelde tràmkoart kost loate zing, hod e procès on huir bieën.
- De vèngte, de vraawe, de màskes, dee dàt hëm hod oitgenoeëdëgd, woare ni oemgezing.
- Mà mooder, dee jà gaa vreuger rèègelmoateg in de zollezjie tèègekwomt, zit naa zèlef in e kàrreke.
zondag 28 juni 2009
De A-klanken (2) < vs > de letter a/aa
Het go ni ouver d'aa klàànke in 't Aàntwààreps, mor ouver de A-klàànke.
Dëgèène dieë dà goo lëstert, kàn ongderschaid moake tùsse 2 oupen A-klàànke. Den ieëne wërt vàn vuir in de moungd oitgesprouke, den ààndere in de keil.
De kërte vërm vàn dee keil-a hoord' allieën in en gesloute lèttergrèèp, di stopt oep d'Aàntwààrepse èn d'Engelse keil-l gelàk às in 'soep mè ballekes', 'à spèlt vals', 'en dal èn nen dal', 'ne stal', 'e geval', 'zal vàn zulle', enz.
Al d'àànder gesloute lèttergrèèpe hèmmen en schààrepe, Fràànse à gelàk às in 'gemàk', 'in 't zàk zètte', 'dàbbe', 'ràppe', 'de voile wàs oithànge', 'en pànlàt', 'vlàm, dor heddet kot'.
Oitzongdering oep de rèègel:
Dèès Fràànse, schààrepe à hoorde in -ang, -and, -ank, ant, amp, arm; bv. in lang > làànk, mand > màànd, bank > bàànk, want > vàn wàànte wèète, lamp > tèège de lààmp loepe, warm > het wààrëm woater oitvingde;
Oek de -erg, -erk en -erp wërren hetzèlfden oitgesprouken às en schààrepe àà in dwerg > nen dwààrëg, zerk, kerk > de zààrëke oep 't kààrëkhof, èn ontwerp > ongtwààrëp, scherp > schààrëp.
Schit ouver de lànge keil-aa, dee m'hoeëre in wourden met ou(w), au(w) of u(w) èn às ieëste dieël vàn den twieëklàànk ij en ei. bv. vrouw > vraa, klauw > klaa, duwen > daawe èn snijden > snaie, blij > blai, eieren > spèk mè j aire of aare.
Dèès keil-aa is on en oepmàrs bèèzëg in het verkoavelings-vloms en bèèzëg de schààrepe àà te verdrùkke in d'oemgàngstoal, wordà ze d'ieënëge èn normoal oitsproak is.
090615 23:32 =============================================
In 't Antwerps zijn er 2 open a-klanken. Den ene wordt van voor in de mond uitgesproken, den andere vanachter in de keel.
aa, dàt doo(t) zeer. Den doktour vroagt soems: zègd is aa èn dàn zeet hëm in oe keil, swèngst dat hëm mè ne lèèpel oe toeng nor benèèje dout.
Dèès aa hèè ne kërte vërm a. Dien hoord allien in en gesloute lèttergrèèp às er en voil Engelse l volgt. bv. in soep mè ballekes, à spelt vals, nen dal èn en dal, ne stal, e geval, zal vàn zùlle, ènz.
Al d'àànder gesloute lèttergrèèpen hèmmen en schààrepe Frànse à gelàk às in gemàk, zàk, dàbbe en bàbbele, ràppe, de wàs doen, een pànlàt, vlàm, dor eddet kot!
Uitzondering op deze regel: die à wordt langk uitgesproken in een gesloten lettergreep met als laatste letters ng langk dure, nd een mand voor de komisjes, nk op een bank in 't park, mp er zit een vlieg aan de lamp, nt van wanten weten, rm 't warm water uitvinden, rp wandelen in 't park.
Ook de e voor rg, rk, rp wordt met een lange àà uitgesproken: het signaal voor den Antwerpenaar dat 't stinkt of dat iet vies is.
Aà, dà stinkt, stront aan de knikker voor erg, zerk, merk, scherp, werken.
Tegenover de scherpe, lange àà staat dan de lange keel-aa, die geschreven wordt als au(w), ou(w), u(w)
bv. vrouw > vraa, mouwveger > maavèèger, blauw > blaa, gauw > is gaa iet fikse, duwen > daawe, rauw groenten > raa grùngte, nu > naa van aa, dà doo(t) zeer.
Deze aa is haar opgang aan 't maken in de Vlaamse omgangstaal (het verkavelingsvlaams) en dreigt de open, scherpe àà van het AN te verdringen.
De lange keel-aa is ook de eerste klinker van de tweeklank gestipte ij en ei in aire/aare of joeng?, blaa (blij) vàn oe trug te zieng, e glàs wijnazijn, klein maar fijn, twijfelen en weifelen, genen blijf mee weten.
Wat schrijf ik : drei köninge of drij kuininge?
Braaf of grave is een a-klank, graaf is een o-klank.
=============================================
Wie de letter a/aa in de beschaafde omgangtaal - alsof het dialect onbeschaafd zou zijn - vertaald naar het Aàntwààreps heeft een gamma aan klanken nodig.
àà in (mand),
oa in (staat, zowel het ww. als het zn.),
ei(r) in (klaar = helder of gereed),
è in (twaalf),
ë in (maand),
o in (-straat),
a in (stal),
oi in (kade - kaai),
à in (wa(t)),
zie ook Tàànder Aàntwààreps http://tanderantwerps.blogspot.com/2009/01/tnder-antwreps.html
Dëgèène dieë dà goo lëstert, kàn ongderschaid moake tùsse 2 oupen A-klàànke. Den ieëne wërt vàn vuir in de moungd oitgesprouke, den ààndere in de keil.
De kërte vërm vàn dee keil-a hoord' allieën in en gesloute lèttergrèèp, di stopt oep d'Aàntwààrepse èn d'Engelse keil-l gelàk às in 'soep mè ballekes', 'à spèlt vals', 'en dal èn nen dal', 'ne stal', 'e geval', 'zal vàn zulle', enz.
Al d'àànder gesloute lèttergrèèpe hèmmen en schààrepe, Fràànse à gelàk às in 'gemàk', 'in 't zàk zètte', 'dàbbe', 'ràppe', 'de voile wàs oithànge', 'en pànlàt', 'vlàm, dor heddet kot'.
Oitzongdering oep de rèègel:
Dèès Fràànse, schààrepe à hoorde in -ang, -and, -ank, ant, amp, arm; bv. in lang > làànk, mand > màànd, bank > bàànk, want > vàn wàànte wèète, lamp > tèège de lààmp loepe, warm > het wààrëm woater oitvingde;
Oek de -erg, -erk en -erp wërren hetzèlfden oitgesprouken às en schààrepe àà in dwerg > nen dwààrëg, zerk, kerk > de zààrëke oep 't kààrëkhof, èn ontwerp > ongtwààrëp, scherp > schààrëp.
Schit ouver de lànge keil-aa, dee m'hoeëre in wourden met ou(w), au(w) of u(w) èn às ieëste dieël vàn den twieëklàànk ij en ei. bv. vrouw > vraa, klauw > klaa, duwen > daawe èn snijden > snaie, blij > blai, eieren > spèk mè j aire of aare.
Dèès keil-aa is on en oepmàrs bèèzëg in het verkoavelings-vloms en bèèzëg de schààrepe àà te verdrùkke in d'oemgàngstoal, wordà ze d'ieënëge èn normoal oitsproak is.
090615 23:32 =============================================
In 't Antwerps zijn er 2 open a-klanken. Den ene wordt van voor in de mond uitgesproken, den andere vanachter in de keel.
aa, dàt doo(t) zeer. Den doktour vroagt soems: zègd is aa èn dàn zeet hëm in oe keil, swèngst dat hëm mè ne lèèpel oe toeng nor benèèje dout.
Dèès aa hèè ne kërte vërm a. Dien hoord allien in en gesloute lèttergrèèp às er en voil Engelse l volgt. bv. in soep mè ballekes, à spelt vals, nen dal èn en dal, ne stal, e geval, zal vàn zùlle, ènz.
Al d'àànder gesloute lèttergrèèpen hèmmen en schààrepe Frànse à gelàk às in gemàk, zàk, dàbbe en bàbbele, ràppe, de wàs doen, een pànlàt, vlàm, dor eddet kot!
Uitzondering op deze regel: die à wordt langk uitgesproken in een gesloten lettergreep met als laatste letters ng langk dure, nd een mand voor de komisjes, nk op een bank in 't park, mp er zit een vlieg aan de lamp, nt van wanten weten, rm 't warm water uitvinden, rp wandelen in 't park.
Ook de e voor rg, rk, rp wordt met een lange àà uitgesproken: het signaal voor den Antwerpenaar dat 't stinkt of dat iet vies is.
Aà, dà stinkt, stront aan de knikker voor erg, zerk, merk, scherp, werken.
Tegenover de scherpe, lange àà staat dan de lange keel-aa, die geschreven wordt als au(w), ou(w), u(w)
bv. vrouw > vraa, mouwveger > maavèèger, blauw > blaa, gauw > is gaa iet fikse, duwen > daawe, rauw groenten > raa grùngte, nu > naa van aa, dà doo(t) zeer.
Deze aa is haar opgang aan 't maken in de Vlaamse omgangstaal (het verkavelingsvlaams) en dreigt de open, scherpe àà van het AN te verdringen.
De lange keel-aa is ook de eerste klinker van de tweeklank gestipte ij en ei in aire/aare of joeng?, blaa (blij) vàn oe trug te zieng, e glàs wijnazijn, klein maar fijn, twijfelen en weifelen, genen blijf mee weten.
Wat schrijf ik : drei köninge of drij kuininge?
Braaf of grave is een a-klank, graaf is een o-klank.
=============================================
Wie de letter a/aa in de beschaafde omgangtaal - alsof het dialect onbeschaafd zou zijn - vertaald naar het Aàntwààreps heeft een gamma aan klanken nodig.
àà in (mand),
oa in (staat, zowel het ww. als het zn.),
ei(r) in (klaar = helder of gereed),
è in (twaalf),
ë in (maand),
o in (-straat),
a in (stal),
oi in (kade - kaai),
à in (wa(t)),
zie ook Tàànder Aàntwààreps http://tanderantwerps.blogspot.com/2009/01/tnder-antwreps.html
vrijdag 26 juni 2009
Geslacht van woorden
Gender of nouns is in het Engels zeer eenvoudig. Alle personen zijn mann.(he-woord) of vrouw.(she-woord). Als er geen onderscheid wordt gemaakt tussen mannetjes- en wijfjesdieren, zijn alle niet-personen (it-woord) neuter (neutraal: di. geen van beiden) dus onzijdig. Het geslacht van Engelse naamwoorden heeft behalve de bezittelijke woorden geen invloed op de taal. Er zijn uitzonderingen te bedenken bij voertuigen, aardrijkskundige namen en misschien nog andere categorieën van woorden.
In het Frans zijn er slechts twee geslachten: un of une. In Romaanse talen heeft het geslacht een invloed op toegevoegde adjectieven, pronomina, lidwoorden.
In het Duits, Nederlands, Vlaams - wat andere Germaanse talen betreft waarschijnlijk ook - hebben substantieven een eigen geslacht. Waarom das Auto sächlich is, der Käse männlich en die Hand weiblich is, is historisch na te gaan.
In de Nederlandse standaardtaal gaat deze herkenning zienderogen achteruit, omdat ze niet meer gepaard gaat met een verschillende, onderscheidende uitspraak. Ons geheugen, onze hersen-database - wordt niet meer bij elk gebruik geoefend en een herinitialisering is niet meer gebeurd sinds onze kindertijd. Enkel het onderscheid tussen het- en de-woorden blijft voorlopig overeind.
In het dialect zorgt de uitspraak van lidwoorden, voornaamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en uitgangen voor de ononderbroken en bewuste herkenning van het geslacht van naamwoorden.
Nadat mij de vraag gesteld werd, welk geslacht waterlopen hebben, kwam mij tijdens het lezen van Noam Chomsky's 11 sept - Vragen en antwoorden, de volgende zin voor ogen: "Ik ben oprecht verbaasd dat iemand deze vraag zelfs maar kan stellen - vooral in Frankrijk, dat zijn eigen bijdrage heeft geleverd aan massale staatsterreur en geweld, wat toch zeker niet onbekend is."
Ik stelde mij de vraag: "En hoe zit het met de namen van landen?"
In het Frans mann.(au) vr.(en) of meerv.(aux).
In het Nl. is het rijk, het land, het gebied onzijdig. Naar analogie zijn namen van landen onzijdig. Maar de vraag stelt zich zelden, behalve met het betrekkelijk voornaamwoord dat, zoals in het voorbeeld.
Wat waterlopen betreft, spreken we in het dialect van een beek, een gracht, een rivier, een vaart, een sloot, (de vrouwelijke) het kanaal, het water, het meer, (de onzijdige) maar ne stroom, nen donk, (de mannelijke).
In verband met de regel van de analogie met hun grondwoord zijn naar mijn gevoel ne stroom wel mann. en een rivier niet vrouwelijk (hoewel stromen in het Frans Le Rhône, Le Saône wel mann., maar La Loire, La Garonne, La Seine vrouw.) Vlaamse rivieren voel ik ook als mannelijk: de Rupel, den Dijle, de Nete, den Demer, de Leie, den IJzer, ... is buiten zijn oevers getreden. Idem voor de Ourthe, de Vesder, de Samber.
Uitzonderingen 't Scheld en 't Schijn zijn onzijdig.
Beken en vaarten voel ik aan als vrouwelijk: De Zanderbeek, de Vrietselbeek, de Damse vaart is buiten haar oevers getreden.
Ook het woord "rivier" zelf is voor mij vrouwelijk.
In het Frans zijn er slechts twee geslachten: un of une. In Romaanse talen heeft het geslacht een invloed op toegevoegde adjectieven, pronomina, lidwoorden.
In het Duits, Nederlands, Vlaams - wat andere Germaanse talen betreft waarschijnlijk ook - hebben substantieven een eigen geslacht. Waarom das Auto sächlich is, der Käse männlich en die Hand weiblich is, is historisch na te gaan.
In de Nederlandse standaardtaal gaat deze herkenning zienderogen achteruit, omdat ze niet meer gepaard gaat met een verschillende, onderscheidende uitspraak. Ons geheugen, onze hersen-database - wordt niet meer bij elk gebruik geoefend en een herinitialisering is niet meer gebeurd sinds onze kindertijd. Enkel het onderscheid tussen het- en de-woorden blijft voorlopig overeind.
In het dialect zorgt de uitspraak van lidwoorden, voornaamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en uitgangen voor de ononderbroken en bewuste herkenning van het geslacht van naamwoorden.
Nadat mij de vraag gesteld werd, welk geslacht waterlopen hebben, kwam mij tijdens het lezen van Noam Chomsky's 11 sept - Vragen en antwoorden, de volgende zin voor ogen: "Ik ben oprecht verbaasd dat iemand deze vraag zelfs maar kan stellen - vooral in Frankrijk, dat zijn eigen bijdrage heeft geleverd aan massale staatsterreur en geweld, wat toch zeker niet onbekend is."
Ik stelde mij de vraag: "En hoe zit het met de namen van landen?"
In het Frans mann.(au) vr.(en) of meerv.(aux).
In het Nl. is het rijk, het land, het gebied onzijdig. Naar analogie zijn namen van landen onzijdig. Maar de vraag stelt zich zelden, behalve met het betrekkelijk voornaamwoord dat, zoals in het voorbeeld.
Wat waterlopen betreft, spreken we in het dialect van een beek, een gracht, een rivier, een vaart, een sloot, (de vrouwelijke) het kanaal, het water, het meer, (de onzijdige) maar ne stroom, nen donk, (de mannelijke).
In verband met de regel van de analogie met hun grondwoord zijn naar mijn gevoel ne stroom wel mann. en een rivier niet vrouwelijk (hoewel stromen in het Frans Le Rhône, Le Saône wel mann., maar La Loire, La Garonne, La Seine vrouw.) Vlaamse rivieren voel ik ook als mannelijk: de Rupel, den Dijle, de Nete, den Demer, de Leie, den IJzer, ... is buiten zijn oevers getreden. Idem voor de Ourthe, de Vesder, de Samber.
Uitzonderingen 't Scheld en 't Schijn zijn onzijdig.
Beken en vaarten voel ik aan als vrouwelijk: De Zanderbeek, de Vrietselbeek, de Damse vaart is buiten haar oevers getreden.
Ook het woord "rivier" zelf is voor mij vrouwelijk.
maandag 15 juni 2009
Getallen
Mille et une nuit - Duizend en een nacht. Dus geen nachten. Toch zeggen we 15 graden warm en niet graad. We zien geen graten in het onderscheid dat we maken tussen liter en liters, meter en meters kilo en kilo's, euro en euro's. Het enkelvoud van de maat is een uitvinding van de gestudeerde mens die wilde opvallen. Het gewoon volk zet in Antwerpen altijd een meervoud achter een meervoudig getal.
'Twieë leetërs woater, vaif mèètërs katoeng. Wà kost dà? Ting uirous.
In het Antwerps maken we er 'deuzënd èn iëne nàcht' van. Twieë nàchte, waarom dan niet 'het is ieën eur, twieë eure, àcht eure, èlëf eure'? In antwerps.be las ik onveranderlijk enkelvoud "ting uur, elf uur, twelf uur'. Dat is m.i. niet wat de doorsnee hier zegt of zei of - ik maak het nog persoonlijker - wat mij in de mond ligt, maar u kunt het met mij eens zijn of niet.
Quarante-et-un, soixante-et-onze, en dan uitzondering "quatre-vingt-un" zonder voegwoord. Eenenveertig, eenenzeventig, eenentachtig. In de zakenwereld zijn er mensen die getallen niet meer in het Nederlands doorbellen, maar in het Engels of het Frans om misverstanden te voorkomen. Het Engels is zijn Germaanse manier van tellen waarschijnlijk kwijtgespeeld sinds de lijfspreuk van het koningshuis 'Je maintiendrai' werd en overgeschakeld werd op de rekenkundig logischer manier van tellen van Pascal. Eerst de tientallen, gevolgd door de eenheden. Waar komt het voegwoord "et" voor het cijfer 1 vandaan en waarom is het overgebleven, dat is ook niet logisch. Het staat er maar en blijft overeind. Maar dat zal aan de conservatieve reflex van de francophonie liggen. De antiek niet overboord willen gooien.
Tot voor kort zette men in Great Britain nog 'and' tussen hundreds and units en thousands and units. Op de VRT zijn een aantal nieuwslezers en journalisten, die een voorbeeldfunctie hebben om Standaard (AN) te spreken, bezig uit opvalzucht het voegwoord 'en' in de reeks 1 tot 13 weg te laten uit de getallen met honderd en duizend. De Nederlandse standaardtaal en het merendeel van onze noorderburen doen dat ook. Ik heb geen enkele Nederlander ooit "twee duizend èn negen" horen zeggen. Waarom moet de Vlaamse voorbeeldspreker Noordnederlands in de mond nemen? Martine Tanghe heeft deze spreekmode in de ether ingevoerd na haar verblijf in Nederland. Ze werd nagevolgd door andere mensen van de nieuwsdienst, Sigrid Spruyt, helmboswuivende Siegfried Bracke, Midden-Oosten-reporter Jef Lambrecht. De stemmen van Els Leys, Kristien Bonneure, Griet De Craene, Jan Van Delm, Annelies Van Herck zijn blijkbaar het gebruik van het voegwoord verleerd. Hun moeders zullen het hun allicht anders geleerd hebben. Of zit er een andere politiek en tactiek van inheien achter? Is de Vlaamse Standaard te min?
Ook het Duits gebruikte 'und' zoals de Vlaming. Wanneer heeft Nederland afgehaakt? Ivan De Vadder is de man die ermee begonnen is de mensen tijdens de verkeersberichten om de oren te slaan met de file op de E411 (vierhonderd-elf). Het in ieder touring-bericht onveranderlijk gegarandeerd knelpunt E411 heeft de "èn elf" uitgerangeerd tot een onbewoond eiland, op enkele 'versprekingen' na. Op een onbewaakt ogenblik laat hij toch een steek vallen als hij de teletext-pagina van de lotto 700 èn 1 en 700 èn 3 aankondigt of in de litanie de niet-frequente E400 èn 3 in West-Vlaanderen vermeldt. In de laatste verkiezingsshow heeft De Vadder zich aan het gebruik van èn gehouden en zich niet versproken. Verder is er een massa kameleon-gedrag van al dan niet-gewilde versprekingen, waar de ene keer niet, de andere keer wel een voegwoord gebruikt wordt. Ben Crabbé gooit er soms een 200-één tussen, maar ge voelt dat hem dat niet ligt en dan schakelt hij toch weer over naar zijn moedertaal-reflex.
'Twieë leetërs woater, vaif mèètërs katoeng. Wà kost dà? Ting uirous.
In het Antwerps maken we er 'deuzënd èn iëne nàcht' van. Twieë nàchte, waarom dan niet 'het is ieën eur, twieë eure, àcht eure, èlëf eure'? In antwerps.be las ik onveranderlijk enkelvoud "ting uur, elf uur, twelf uur'. Dat is m.i. niet wat de doorsnee hier zegt of zei of - ik maak het nog persoonlijker - wat mij in de mond ligt, maar u kunt het met mij eens zijn of niet.
Quarante-et-un, soixante-et-onze, en dan uitzondering "quatre-vingt-un" zonder voegwoord. Eenenveertig, eenenzeventig, eenentachtig. In de zakenwereld zijn er mensen die getallen niet meer in het Nederlands doorbellen, maar in het Engels of het Frans om misverstanden te voorkomen. Het Engels is zijn Germaanse manier van tellen waarschijnlijk kwijtgespeeld sinds de lijfspreuk van het koningshuis 'Je maintiendrai' werd en overgeschakeld werd op de rekenkundig logischer manier van tellen van Pascal. Eerst de tientallen, gevolgd door de eenheden. Waar komt het voegwoord "et" voor het cijfer 1 vandaan en waarom is het overgebleven, dat is ook niet logisch. Het staat er maar en blijft overeind. Maar dat zal aan de conservatieve reflex van de francophonie liggen. De antiek niet overboord willen gooien.
Tot voor kort zette men in Great Britain nog 'and' tussen hundreds and units en thousands and units. Op de VRT zijn een aantal nieuwslezers en journalisten, die een voorbeeldfunctie hebben om Standaard (AN) te spreken, bezig uit opvalzucht het voegwoord 'en' in de reeks 1 tot 13 weg te laten uit de getallen met honderd en duizend. De Nederlandse standaardtaal en het merendeel van onze noorderburen doen dat ook. Ik heb geen enkele Nederlander ooit "twee duizend èn negen" horen zeggen. Waarom moet de Vlaamse voorbeeldspreker Noordnederlands in de mond nemen? Martine Tanghe heeft deze spreekmode in de ether ingevoerd na haar verblijf in Nederland. Ze werd nagevolgd door andere mensen van de nieuwsdienst, Sigrid Spruyt, helmboswuivende Siegfried Bracke, Midden-Oosten-reporter Jef Lambrecht. De stemmen van Els Leys, Kristien Bonneure, Griet De Craene, Jan Van Delm, Annelies Van Herck zijn blijkbaar het gebruik van het voegwoord verleerd. Hun moeders zullen het hun allicht anders geleerd hebben. Of zit er een andere politiek en tactiek van inheien achter? Is de Vlaamse Standaard te min?
Ook het Duits gebruikte 'und' zoals de Vlaming. Wanneer heeft Nederland afgehaakt? Ivan De Vadder is de man die ermee begonnen is de mensen tijdens de verkeersberichten om de oren te slaan met de file op de E411 (vierhonderd-elf). Het in ieder touring-bericht onveranderlijk gegarandeerd knelpunt E411 heeft de "èn elf" uitgerangeerd tot een onbewoond eiland, op enkele 'versprekingen' na. Op een onbewaakt ogenblik laat hij toch een steek vallen als hij de teletext-pagina van de lotto 700 èn 1 en 700 èn 3 aankondigt of in de litanie de niet-frequente E400 èn 3 in West-Vlaanderen vermeldt. In de laatste verkiezingsshow heeft De Vadder zich aan het gebruik van èn gehouden en zich niet versproken. Verder is er een massa kameleon-gedrag van al dan niet-gewilde versprekingen, waar de ene keer niet, de andere keer wel een voegwoord gebruikt wordt. Ben Crabbé gooit er soms een 200-één tussen, maar ge voelt dat hem dat niet ligt en dan schakelt hij toch weer over naar zijn moedertaal-reflex.
maandag 8 juni 2009
Lijstje van au
baa(wë) = bauw(en) (spottend nazeggen)
?? bietebauw (kinderspook, de billen)
blaa = blauw(e) maar blout (de kleur blauw) en blousel = blauwsel
daa = dauw
flaa = flauw
gaa = gauw, ëgaa = algauw
graa = grauw
graawë = grauwen
?? hauw (plantk. peulvrucht)
kabbeljaa = kabeljauw
kaa = kauw (ka vogel: kl.kraai)
kaawë = kauwen
klaa = klauw
knaawë = knauwen
kraawë = krauw(en) (krabben)
laa = lauw (halfwarm)
m(i)aawë = mauw(en) (> miauw)
naa = nauw
pous = paus
paa = pauw
poeës = pauze
praa = prauw
rabaa = rabauw (appelsoort)
raa = rauw of ruw
snaawë = snauw(en)
?? wauw (gunstige wind, politieagent)
wenkbraa = wenkbrauw
?? wiewauw (wielewaal)
?? bietebauw (kinderspook, de billen)
blaa = blauw(e) maar blout (de kleur blauw) en blousel = blauwsel
daa = dauw
flaa = flauw
gaa = gauw, ëgaa = algauw
graa = grauw
graawë = grauwen
?? hauw (plantk. peulvrucht)
kabbeljaa = kabeljauw
kaa = kauw (ka vogel: kl.kraai)
kaawë = kauwen
klaa = klauw
knaawë = knauwen
kraawë = krauw(en) (krabben)
laa = lauw (halfwarm)
m(i)aawë = mauw(en) (> miauw)
naa = nauw
pous = paus
paa = pauw
poeës = pauze
praa = prauw
rabaa = rabauw (appelsoort)
raa = rauw of ruw
snaawë = snauw(en)
?? wauw (gunstige wind, politieagent)
wenkbraa = wenkbrauw
?? wiewauw (wielewaal)
Abonneren op:
Posts (Atom)